fbpx
Menu

Hoe win je een medaille op de Olympische Spelen

Ard Schenk is een van de ambassadeurs van de Stichting Vrienden van het Herseninstituut. Hij won in 1972 drie gouden medailles tijdens de Olympische winterspelen van Sapporo. Na zijn schaatscarrière werkte hij tot zijn zeventigste als fysiotherapeut. Ontdek in dit artikel zijn gouden tips voor topsporters. Misschien heb je er zelf ook wel iets aan als je je leefstijl wilt veranderen.

Even opfrissen: wie is Ard Schenk

portretfoto Ard SchenkArd Schenk was ruim 40 jaar de grootste schaatser aller tijden. In 2007 zorgde Sven Kramer ervoor dat hij in het klassement sindsdien op de tweede plaats staat. Zijn lange, blonde verschijning en zijn magistrale slagen, voortgestuwd door zijn slungelachtige armen, zijn legendarisch. Het zijn beelden die sportliefhebbers uit eind jaren 60 begin jaren 70 van de vorige eeuw nog in het geheugen gegrift staan. In die tijd werden de banen gemarkeerd door zeepblokjes en gaten in het ijs gedicht met behulp van gieters water en brede wissers. Alle wedstrijden werden nog buiten geschaatst, vaak op natuurijs.

Tussen 1968 en 1973 werd hij maar liefst vier keer Europees en vier keer wereldkampioen. Helemaal uniek was zijn prestatie tijdens de Olympische spelen van Sapporo 1972. Na een zilveren medaille in 1968, won hij daar drie keer goud en als hij niet per ongeluk met de punt van zijn schaats verkeerd in het ijs was gekomen, waren het er vast en zeker vier geweest.

Topsporters hebben tegenwoordig hele strakke trainingsschema’s en professionele begeleiding. Hoe was dat in jouw tijd?

Tegenwoordig heeft elke sporter naast zijn eigen trainer minstens vijf begeleiders: voor voeding, fysiotherapie, krachttraining, een arts, mentale begeleiding. In mijn begintijd was er één trainer die vooral vanuit zijn gevoel werkte, echte programma’s waren er nog niet. Ik was geen trainingsbeest. Ik vond het allemaal wel goed te doen, maar ik kwam meer voor de gezelligheid. Zomers ging je één keer per week naar de centrale conditietraining. Daarnaast kreeg je een stencil mee, waarop stond wat je de rest van de week thuis moest doen aan fietsen, lopen door zand, diep zitten en dat soort zaken. Als ik mijn takenlijstje voor de week erop af ging vinken, was ik soms erg creatief met mijn antwoorden. Krachttraining was meer iets van persoonlijke interesse. ’s Winters trainden we twee keer op een dag. Voorafgaand aan de training kwamen we vaak al bij elkaar om even een potje te voetballen.

Hoe zag de concurrentiestrijd er in de beginjaren uit?

Natuurlijk reed elke schaatser ook in die tijd om te winnen. Maar er was daarnaast sprake van grote kameraadschap. Wij trainden vaak met de Noren en tijdens een wedstrijd moedigden we niet alleen ploeggenoten, maar ook tegenstanders aan. Na de wereldkampioenschappen, de laatste grote wedstrijd van het seizoen, vertrok jarenlang een groepje van beste schaatsers naar Noord- Noorwegen. Ik ging graag mee omdat we ontzettend veel plezier met elkaar hadden. We bezochten ijsbanen in kleine plaatsjes, ver boven de poolcirkel. Daar kenden de mensen ons alleen uit de krant, want televisie konden ze nog niet ontvangen. In dorpen met 3000 inwoners kwamen wel 5000 toeschouwers op de wedstrijden af. De organisatoren wilden wél graag dat een van de grote namen een baanrecord zou vestigen. Nou, dat kwam voor elkaar, maar we spraken af dat we dat met niet meer dan twee tienden zouden verbeteren. Er moest immers volgend jaar ook nog gepresteerd worden. Dit was trouwens onze enige bron van inkomsten: het startgeld dat we vaak ook nog als groep kregen en onderling verdeelden. Als je officiële wedstrijden reed voor de KNSB werden reis en verblijfskosten etc. voor je geregeld. En wij kregen een rijksdaalder zakgeld.

Wat zijn voor jou doorslaggevende elementen om topsporter te worden?

Kwaliteit! Je genen bepalen heel veel. Het gaat er vervolgens om hoe je dat verder ontwikkelt. Trainen is uiteraard van wezenlijk belang, maar ontspanning is zeker zo belangrijk. Topsport werkt alleen echt goed, als je het vooral voor jezelf doet. Kijk maar naar Tom Dumoulin. Hij is nu in Tokyo om kampioen tijdrijden te worden, maar vraagt zich af: waar doe ik het nog voor. Zijn conclusie is: alle meetbare zaken zijn in orde: mijn fiets is top, ik zit goed, ik ben fit. Het enige wat ik nu moet doen is proberen te ontspannen en plezier maken.

Je bezocht de Olympische Spelen in totaal negen keer: drie keer als deelnemer, een keer als journalist, drie keer als chef de mission en twee keer als lid van de technische commissie van de International Speed Union (ISU). De Olympische Spelen van dit jaar zijn door Covid anders dan anders. Geen gezamenlijke opening, geen Olympisch dorp, geen publiek, geen Holland House. Denk je dat mentale aspecten nu juist doorslaggevend zullen zijn?

Tegenwoordig is er voor iedereen in het dagelijks leven heel veel afleiding. De kreet focussen bestond vroeger amper, maar is nu onontbeerlijk. Topsporters wordt geleerd hiermee om te gaan. Ze leren zich af te sluiten als dat nodig is, om zich te kunnen richten op hun doelen. Maar in Tokyo is de afleiding wel heel complex. Er zijn zoveel onzekere factoren en elementen. Sporters zijn compleet aangewezen op hun eigen bubbel, maar aan de start staan ze (anders dan als je met elkaar in een Olympisch dorp leeft) ineens oog in oog met hun tegenstanders. En ontspanning of afleiding zoeken is nu veel moeilijker door allerlei beperkende maatregelen.

Als ik dat vergelijk met mijn tijd: toen waren de spelen spielerei. Sowieso was de druk minder groot. Voor ons was het wereldkampioenschap allround veel belangrijker. En wij hadden minder prestatiedruk. Wij hadden geen contracten met sponsoren die van alles van ons vroegen. Er zullen op deze spelen verrassende uitslagen zijn, zowel positief als teleurstellend.

Jij reed in 1971 in Inzell als eerste mens de 10 kilometer onder de 15 minuten. Je had net een nacht achter de rug van flink doorhalen, maar wel op tijd stoppen met drinken. Lijkt me een optimale voorbereiding.

Ja dat klopt, want je bent ontspannen! Maar wat ook erg heeft geholpen is dat ik tegen de Noor Sten Stensen moest rijden. Wij hadden die week voorafgaand aan de wedstrijd een hele gezellige Holland week, met allerlei activiteiten. Zeg maar zoals in Noorwegen maar dan in Holland. Stensen was overal voor uitgenodigd, maar deed niet mee. Hij was alleen maar bezig met de recordwedstrijden, dat weekend erna in Inzell. Als hij naast je in de bus zat draaide hij zijn rugleuning naar beneden en ging hij liggen slapen. Ik had de mazzel dat ik in Inzell tegen hem lootte op de tien km. Mijn insteek was: alles wat er gebeurt, maar Stensen wint niet.

Ik ging er als een speer vandoor en al rond de vijf kilometer zat ik volgens Leen Pfrommer 4-5 seconden onder het wereldrecord. Toen was ik ineens Stensen kwijt, die was door vermoeidheid gevallen op het rechte stuk. Ik heb toch weten vol te houden en het record was een feit.

Kan je iets vertellen over de invloed van de trainer.

Voor mij is sfeer erg belangrijk. Wij startten met Anton Huiskes als trainer. Hij stuurde de groep: hij zei: “jij een beetje meer, jij een beetje rustiger”. Onverwacht werd van hogerhand besloten dat Wim de Graaff onze nieuwe trainer moest worden, omdat de schaatsbond ruzie had met Anton. Hij miste echter gevoel voor het groepsgebeuren. De lol was er voor mij al snel af. Het was 1968. Ik stond op het punt dat ik dacht: ik ga wat anders doen. Ik was bezig met fysiotherapie. Ik dacht: het is mij wel gebakken. Altijd maar tweede of derde worden of onderuitgaan. De KNSB besloot Leen Pfrommer aan te stellen. Hij had gelukkig beide kwaliteiten van zijn voorgangers in huis en vanaf toen ging het beter. Pfrommer was de eerste die programma’s vanuit de atletiek omzette naar het schaatsen. Leen haalde me bij Kees van de kamer, omdat hij vond dat die mij als persoon overvleugelde. Ik denk dat het wel een goede zet van hem is geweest dat hij die daad stelde, maar ik had me als sporter ook verder ontwikkeld.

Wat betekent trainen eigenlijk voor lichaam en geest?

Trainen is bedoeld om te leren omgaan met pijn. Pijn is een signaal van je lichaam dat je eigenlijk moet stoppen bijvoorbeeld door van houding te veranderen. Met trainen negeer je de pijn, je leert dat punt te verleggen. Dat is ook een belangrijke taak van een trainer: jou stimuleren en helpen hoe hiermee om te gaan. Leen Pfrommer leerde me tien kilometers rijden. Hij zei: “niet zeuren of zeiken, je rijdt drie keer 30 rondjes, het kan me niet schelen hoelang je erover doet, maar je blijft zitten”. Natuurlijk krijg je pijn in benen, pijn in je rug. Het gaat erom dat je leert hoe je daarmee omgaat. Op een gegeven moment dacht ik ook: hoe sneller ik rijd, hoe sneller ik ervan af ben. Dan ontdek je dat je na een rustperiode gewoon weer opnieuw 30 ronden kan rijden en… misschien wel sneller.

En dan kom je op het moment dat je sneller rijdt dan je concurrent. Dan zullen de endorfines waarschijnlijk de overhand krijgen boven die vervelende pijnprikkels. Dat brengt een gevoel van euforie met zich mee die je vleugels geeft.

En dan is er nog die psychische druk

Om topsport te kunnen bedrijven heb je als mens een zekere stabiliteit nodig. Kinderen worden beschermd opgevoed. Er gaat veel fout als je ontdekt dat er ook tegenslagen in het leven zijn. Met alle prikkels van deze tijd, de druk van sponsors voor het leveren van prestaties en allerlei bijkomende verplichtingen, is topsport bedrijven een fulltimebaan. De jongens en meiden zijn 200 trainingsdagen met elkaar op pad, vóór het echte seizoen begint.

Al met al hebben veel sporters behoefte aan psychische begeleiding: om zichzelf terug te vinden, om te weten waar ze het ook alweer voor doen. Het zal wel aan mijn Noord-Hollandse nuchterheid liggen, maar ik denk altijd “met een beetje logisch nadenken en wat relativeren kom je er ook”. Ik was als kind al gewend voor mezelf te zorgen. Ik had een speeltuin van 42 hectare en zolang die witkop maar net boven het graan uitstak, was het goed. Ik kon doen en laten wat ik wilde, als ik maar om 18 uur aan tafel zat.

Toch is die begeleiding wel belangrijk voor veel sporters die na het leven in die georganiseerde wereld en al die aandacht terug moeten naar het gewone leven. Want ook al heb je als ex-sporter een leuke baan gekregen, ook jij zal de bijbehorende klussen moeten doen. Piet Kleine ging ook gewoon (weer) post rondbrengen. Je zal zelf moeten zorgen dat er brood op de plank komt, het word je niet gebracht.

Hoe zouden de neuro-onderzoekers van het herseninstituut sporters verder kunnen helpen?

De natuurlijke reactie op inspannen is moe worden en dan volgt pijn. Trainen is eigenlijk je lichaam beschadigen. Het zou heel mooi zijn als je de pijnprikkel zou kunnen beïnvloeden zonder je lichaam te beschadigen.

Ik vraag me ook af: wat remt coördinatie. Wat zorgt ervoor dat je na de zoveelste drie dubbele schroef achterwaarts, niet meer zo mooi op twee benen kunt landen. Of waarom je van de evenwichtsbalk valt, of onderuitgaat bij het schaatsen. Is dat cerebrale vermoeidheid? Of stuurt de geest nog wel aan maar kan het lichaam de opdrachten niet meer uitvoeren omdat de fysiologische omstandigheden niet meer optimaal zijn?

Tot slot nog: wat zou je als ambassadeur van het fitte brein willen meegeven aan de volgers van het Herseninstituut en je fans van vroeger en hun nazaten?

Bij Het Herseninstituut wordt op microniveau onderzocht wat zich in het brein afspeelt. Tijdens “Het fitte brein” vertellen professor Erik Scherder, professor Dick Swaab en ik alle ins- en outs over het brein, met tips hoe we dat fitter kunnen houden en kunnen ontwikkelen. Naar mate we ouder worden krijgen we steeds meer te maken met kleine onvolkomenheden. Dan blijkt dat we eigenlijk niet goed voor onszelf hebben gezorgd. En dan bedoel ik vooral: we hebben niet goed genoeg geluisterd naar de signalen van ons lichaam.

Je hoofd zegt: “ik moet dit, ik wil dat”. Maar je lijf zegt misschien tegelijkertijd: “ik ben moe, ik heb genoeg gehad”. Je staat in deze moderne wereld dus regelmatig voor moeilijke keuzes. Wij zeggen echter: hoe oud je wordt weet je niet, maar de manier waarop, daar heb je heel veel invloed op.

Gezond eten en bewegen is belangrijk, maar ook daarbij moet je keuzes maken. Je telefoon roept tegenwoordig al “je hebt vandaag niet genoeg stappen gezet’. Er zijn zoveel hulpmiddelen: je zou aan 48 uur in een etmaal nog niet genoeg hebben om alles te doen.

Het is nooit te laat om de boeg om te gooien, maar het zou het beste zijn als je al op je 25ste begint met voor jezelf te zorgen.

En dat vind ik ook het mooie van gepensioneerd zijn. Tegenwoordig probeer ik van alles uit. Ik leer nog steeds bij. Ik zoek dingen op die voorkomen dat ik me alleen maar bezig hou met het halen van een broodje of het fietsen door de duinen. Allemaal ook leuk en nodig, maar een beetje spanning op de draad houdt het leven de moeite waard. En dan is het natuurlijk helemaal mooi, als je dat regelmatig in het gezelschap van anderen kan doen.

Tekst en foto: Annette Kolkman/fotosentekst.nl

Steun hersenonderzoek