Menu

‘Slechte slapers zijn er in soorten en maten. Maar welke?’

De slaapprofessor van Nederland liet zich als student opsluiten in het psychologisch laboratorium van de Universiteit van Amsterdam. Daar deed hij ’s nachts met collega-studenten het slaaponderzoek dat zijn hoogleraar onzin vond. ‘Er stonden gigantische EEG machines. De inkt waarmee de pennetjes krasten, spetterde in het rond,’ lacht hij. Nu heeft Eus van Someren zijn eigen Slaaplab, en doet hij onderzoek bij vele goed en slecht slapende vrijwilligers.

Van Someren dacht aanvankelijk dat er wat hapert aan de biologische klok van slechte slapers. Dat bleek maar bij een klein deel van de slapelozen het geval. Bij de meesten spelen heel andere factoren een rol. ‘Zo hebben bepaalde slechte slapers een zwakke antenne voor prettige dingen, terwijl ze onprettige signalen heel goed oppikken. Echte pechvogels. Want als een situatie oké is, vertelt de orbitofrontale cortex (OFC) de rest van het brein dat het niet meer hoeft op te letten en klaar te staan. En dat is een voorwaarde om lekker te kunnen slapen. Als je het hele etmaal door alert bent en in de startblokken staat, lukt je dat niet.’

Van Somerens groep ontdekte dat gezonde slapelozen die weinig grijze stof in de OFC hebben, niet meer verder kunnen slapen als ze te vroeg wakker worden. ‘Zij staan klaar om wat te gaan doen. Bij mensen met een depressie zagen we iets heel anders. Bij hen hangt slechte slaap samen met weinig grijze stof in het deel van de thalamus dat hersengolven synchroniseert. Dit suggereert dat mensen die niet goed synchroon kunnen slapen – bepaalde hersengebiedjes staan nog in de waakstand terwijl andere al slapen – dat ervaren als slapeloosheid.’

‘Slechte slapers hebben meestal geen last van een slecht functionerende biologische klok’

Er zijn dus slechte slapers in soorten en maten. Welke dat zijn, onderzoekt Van Someren aan de hand van subgroepen uit het Nederlands Slaap Register (www.slaapregister.nl). Uit elke subgroep vraagt hij veertig vrijwilligers om hun hersenfunctie en -structuur tot in detail te laten meten: met behulp van de scanner, EEG’s en transcraniële magnetische stimulatie (TMS). ‘Ook hopen we bij een cohort als het Tweelingregister te kunnen kijken naar kenmerken in het genoom van verschillende typen slechte slapers.’

Cognitieve gedragstherapie, licht, beweging, getimede lichaamsverwarming en negatieve ionenlucht zijn allemaal behandelingen die de slaap een beetje kunnen verbeteren. Maar bij wie werkt wat het best? ‘Om dat uit te vinden, gaan we verschillende typen slechte slapers deze behandelingen geven.’ Van Someren hoopt op termijn een behandeling op maat te vinden voor elk type slechte slaper.

Foto: Marieke de Lorijn
Tekst: Malou van Hintum