fbpx
Menu

Proefdieronderzoek

Het Nederlands Herseninstituut huisvest zebravisjes, goudvissen, muizen, ratten en resusapen. Wetenschappers van het instituut gebruiken proefdieren voor hun onderzoek, naast methoden die geen dierproeven vergen. Om een dierproef te mogen doen, moet de onderzoeker eerst een aanvraag indienen bij de CCD (de Centrale Commissie Dierproeven) en een DEC (Dierexperimentencommissie).

De CCD bepaalt op grond van het advies van een DEC of het een vergunning afgeeft. De DEC doet de ethische toetsing en beoordeelt of het belang van het onderzoek opweegt tegen het lijden dat het proefdier wordt aangedaan. Daarbij gaat het met name om het voorkómen van pijn of ongemak bij het dier; om het aantal proefdieren waarvoor een vergunning wordt aangevraagd; en om het bestaan van voor het betreffende onderzoek mogelijk bruikbare alternatieven. Denk daarbij onder meer aan onderzoek in mensen, weefsel van overleden personen, kweekweefsel, digitale modellen, organs on a chip, organoïden en menselijke embryo’s. De CCD bestaat uit onafhankelijke leden, een DEC bestaat voor de helft plus 1 uit onafhankelijke leden.

Verder is elke gebruiker van proefdieren verplicht een IvD (een Instantie voor Dierenwelzijn) in te stellen, die onder meer toeziet op het welzijn van de dieren in de betreffende organisatie en adviseert over mogelijkheden om het proefdiergebruik te verminderen. Een IvD bestaat uit eigen medewerkers.

alternatieven

Onze onderzoekers maken daar waar mogelijk gebruik van alternatieven, zoals digitale modellen, metingen bij mensen en door gebruik te maken van het weefsel van de Nederlandse Hersenbank. Maar voor bepaalde wetenschappelijke vragen zijn deze alternatieven onbruikbaar. Dat komt door de aard van ons onderzoeksobject: we onderzoeken het meest complexe orgaan dat we hebben, dat bovendien intensief de interactie aangaat met de fysieke, sociale en mentale omgeving.

Wanneer Christian Keysers en Valeria Gazzola fundamenteel empathie-onderzoek willen doen, doen ze dat in muizen en ratten. Als Joost Verhaagen de afbraak en het herstel van zenuwbanen onderzoekt, heeft hij daarvoor ratten nodig. Dat geldt ook voor Ingo Willuhn’s onderzoek naar OCD (obsessief-compulsieve stoornis) en DBS (Deep Brain Stimulation). Maarten Kamermans kan niet zonder vissen voor zijn netvliesonderzoek. En Pieter Roelfsema, die onderzoek doet naar een hersenprothese voor blinden, is voor zijn experimenten aangewezen op apen; want hij wil zeker weten dat die prothese werkt en veilig is voordat de eerste blinde mens een hersenoperatie ondergaat.

Voor al deze onderzoeken geldt dat op dit moment alleen proeven op mensen het alternatief voor dierproeven zouden zijn. Afgezien van het feit dat niemand zich daarvoor zou lenen, is dat ethisch onaanvaardbaar.

3 V’s

Al ruim zestig jaar geldt voor het proefdieronderzoek het zogenaamde 3 V-beleid: Vervanging van dierproeven door dierproefvrije methoden; Vermindering van het aantal dieren per experiment; en Verfijning van dierproeven om het lijden van dieren te verminderen. Tegelijk worden er, naast alternatieven voor dierproeven, voortdurend nieuwe technieken ontwikkeld die nu nog alleen op dieren kunnen worden toegepast.

Recent is dat bijvoorbeeld de optogenetica: het activeren en remmen van zenuwcellen met behulp van lichtpulsen, iets wat mogelijk is dankzij lichtgevoelige ion-kanalen die met behulp van virussen in hersencellen worden ingebracht. Denk ook aan CRISPR-CAS, het gericht ‘knippen en plakken’ van genen in proefdieren, zodat hersenprocessen en hersenziekten op moleculair niveau heel precies bestudeerd kunnen worden.

Omdat we internationaal een belangrijke speler wil blijven, zetten de neurowetenschappers nieuwe technieken in voor hun onderzoek. Wel proberen ze per proefdier zo veel mogelijk kennis op te doen door proefdieren efficiënter te gebruiken. Zo kan het aantal onderzochte proefdieren zo veel mogelijk worden beperkt.

De KNAW over proefdiergebruik in de neurowetenschappen

De KNAW beschrijft in haar rapport ‘Inventarisatie. Het belang van dierproeven en mogelijkheden tot vermindering daarvan in het fundamenteel neurowetenschappelijk onderzoek’ (2019) allerlei methoden – waarvan er verschillende hierboven worden genoemd – die veelbelovend zijn om het proefdiergebruik terug te dringen. Stoppen met proefdieronderzoek is volgens de Akademie niet aan de orde: ‘De fundamentele neurowetenschap blijft vragen om een mix van methoden (…). Dierproeven zijn en blijven in de voorzienbare toekomst onmisbare basiscomponenten van die mix’ (p. 50).

Tegelijk ligt er voor de neurowetenschappers wel een actuele opgave. Zo wijst de KNAW onder meer op het belang van (her)gebruik van (big) data voor het terugdringen van het aantal proefdieren. Internationale onderzoeksconsortia kunnen op dat vlak beter samenwerken dan ze nu doen, aldus het rapport. Daarnaast pleit de KNAW voor grotere inspanningen op het gebied van open access publiceren van onderzoek waarvoor proefdieren zijn gebruikt; voor het vindbaar en toegankelijk maken van de ruwe data van niet-gepubliceerd diergebonden onderzoek; en voor het publiceren van negatieve onderzoeksresultaten en van replicatie-onderzoek. Op deze manieren kan onnodig gebruik van proefdieren worden voorkomen.

Tekst: Malou van Hintum

Lees ook

MRI

MRI